Creatieve berichten over borduren

59: Bernina Embroidery Software V8: van Engels naar Nederlands nav. vragen gebruik(st)ers

Hoe lang je ook met de BERNINA Borduursoftware V8 bezig bent, of met kant-en-klaar gekochte machine borduurpatronen, er zijn altijd termen die je niet direct kunt verklaren, of Engelse begrippen waarvan niet altijd een goed Nederlands woord voor te vinden is. Veel gebruik(st)ers hebben mij om uitleg of vertaling van bepaalde begrippen gevraagd: hieronder vindt je een lijst op alfabet van Engels naar Nederlands, van alles waar in de afgelopen maanden naar gevraagd is.


Alignment
= het gebruik van linialen, malletjes of afdrukvoorbeeld/print (dat laatste via de Software), om de positie van je ontwerp te bepalen. Dit is vooral belangrijk als je met je borduurmotief op een exact punt op stof/kledingstuk/quilt wilt beginnen. Op je borduurmotief is het midden van een ontwerp te herkennen aan een PLUSJE: het middenpunt is vaak je controlepunt.

Maar ook het op/langs een denkbeeldige lijn zetten van objecten: pp de afbeelding hierboven die je linksboven 3 objecten, die willekeurig geplaatst zijn. Rechtsboven zijn ze in het midden geplaatst/gecentreerd, linksonder langs de onderrand op één lijn gezet, en rechtsonder langs de linkerkant op één lijn gezet. Soms kan een woord of begrip op meerdere manieren uitgelegd worden.

Appliqué Outline = de drie of vier stekenlijnen die door de borduurmachine gemaakt worden om de applicatie bij een borduurmotief voor te bereiden en vast te zetten. Het gaat hier om de 1) Stiklijn, 2) Kniplijn (deze kun je apart instellen: wordt niet altijd automatisch bij je applicatiemotief geplaatst), 3) Tack-down lijn en 4) Satijn coversteken.


Auto-Digitizing
(Automatic Digitizing) = het omzetten van tekeningen, foto’s, clipart, teksten ed. in een borduurmotief voor de machine, waarbij de software het digitaliseren automatisch voor je verricht. Je hebt hier zelf geen controle over. Dat kan betekenen dat niet alles wat je omzet wilt hebben goed overkomt. Meestal kun je na het Aut0-Digitizing je borduurmotief nog verder bewerken. Deze methode neemt je veel werk uit handen, maar is beslist niet zo nauwkeurig ten opzichte van zelf digitaliseren (waar veel borduur(st)ers tegenop zien, omdat dat behoorlijk wat werk kan zijn, en dus veel tijd kost.

Zoals je op de afbeelding hierboven kunt zien, zijn er diverse opties, waarbij je in ieder geval een afbeelding kunt invoegen en daar wat bewerkingen kunt doen. Elke optie is gescheiden door een streepje, waarbij je ook PhotoStitch kunt hanteren, en het toverstafje.


Basting Stitches
= lange steken die rondom de buitenranden van je borduurmotief gemaakt worden om te voorkomen dat de ingespannen en zwevende materialen verschuiven tijdens het borduren. Deze steken worden als eerste gemaakt, voordat er met het borduurmotief gestart wordt.
Veel gebruiksters hebben aangegeven dat deze rijgsteken soms niet gemaakt konden worden, en vroegen zich af waarom. Dat is meestal zo als je borduurmotief zelf al bijna tegen de ‘veilige’ marge van de borduurring gemaakt gaat worden: er is dan geen plek meer voor de rijgsteken, die op een kleine afstand aan de buitenkant van het motief gemaakt gaan worden. Twee oplossingen: 1) je verkleint je borduurmotief een paar %, zodat ook de Basting Stitches binnen de ‘veilige’ marge van de borduurring past of 2) je laat het maken van deze Basting Stitches door de machine achterwege, en doet dit handmatig zelf vantevoren, zodra je alles in de ring hebt gespannen en/of zwevend hebt opgezet.


Buttonholing =
werken met preset knoopsgaten. In V8 zijn deze aanwezig om als enkel knoopsgat te maken, of meerdere. Kies een bepaalde afmeting en verwerk ze in een ontwerp. Een optie die niet veel bij V8 gebruikt wordt, als ik zo de vragen van gebruik(st)ers bekijk: VOLGENDE KEER GA IK DAAR EEN APARTE LES VOOR MAKEN.


Birds Nest
= een lussenhoop van garens die achterop je borduurwerk kan ontstaan, bij het begin van een borduurwerk/nieuw gedeelte. Dit fenomeen wordt zo genoemd omdat het er als een vogelnestje uitziet. Vaak gebeurt dit doordat onder- en bovendraden niet naar boven gehaald zijn, soms doordat de spanning niet in orde is en de garens niet goed via de ‘timing’ van de borduurmachine komen.


Bobbin Thread
= ondergaren. Bij machinaal borduren bij voorkeur dunner, anders gelijk aan de dikte van het borduurgaren dat bovenop gezet wordt. Een goede onderdraad is DecoBob/Wonderfil: dikte/Weight 80, 100% polyester. Dit garen past bij alle bovengarens die ik tot nu toe heb gebruikt: of het nu ook een polyester garen is, of metaal, katoen, een mix.


DecoBob wordt op conen geleverd van 2000m, of zelfs op Prewounds, spoeltjes waarbij het garen er al opgezet is, verkrijgbaar in twee maten: deze laatste passen niet in alle borduurmachines (er is een lijst beschikbaar met types machines – je kunt me mailen via sylvia@sylviasartquilts.nl,  als je wilt weten of één van de twee maten voor jouw machine geschikt is)!


Density
= de afstand tussen lijnen en steken, oftewel de dichtheid van een borduurmotief. Altijd aan te passen in V8, op verschillende manieren. Over het algemeen geldt: hoe groter de afstand tussen lijnen en steken, hoe lager de dichtheid van het borduurwerk.


Digitize
= digitaliseren: het ZELF omzetten van tekeningen, foto’s, clipart, teksten ed. in een borduurmotief voor de machine. Vaak wordt zo’n borduurmotief van nul af opgebouwd vanaf lijnen, dichte vormen ed. Een flinke klus, maar wel één waarbij je alles in je eigen hand hebt.

Er zijn veel opties om zelf aan de slag te gaan, niet alleen lijnen en vormen, maar ook letters, monogrammen, applicaties maken, punchwork, knoopsgaten, stempelpatronen en meer.


Float = zweven
. Hier gaat het om het ‘zwevend’ opzetten van materiaal voor machinaal borduren. De versteviging(en) wordt (worden) wel ingespannen, maar de stof/materiaal waar het borduurwerk uiteindelijk op komt niet.

Zelf borduur ik veel op Fleece stoffen. Als je dit soort stoffen inspant, zie je na het borduren een ‘indruk’ in de stoffen. Bij sommige stoffen gaat dat maar moeilijk weg. Vandaar dat ik bij het borduren op Fleece stoffen alleen de versteviging inspan (ik gebruik dan Filmoplast) en de Fleece stof er los bovenop leg. Wel laat ik dan altijd eerst rondom het te borduren gedeelte een Basting Stitch maken (zie hierboven), om alle lagen vast te houden.


FSL = Free Standing Lace
= kantborduurwerk, waarbij de steken gemaakt worden op een wateroplosbare versteviging. Alleen de versteviging (enkele of meerdere lagen) is ingespannen. Na het borduren wordt de versteviging weggewassen, waardoor het kantmotief overblijft. Bij niet voldoende wegwassen van de wateroplosbare versteviging blijft – na opdrogen – het kant wat stijver. Soms wil men dat om het kant een bepaalde vorm te geven: het materiaal werkt dan als stijfsel. Er zijn veel kant-en-klare kantborduurmotieven te koop, waarbij de verschillende stukken kantwerk bv. in de vorm van een huisje of eieren gemaakt worden.

Bij BERNINA Embroidery Design Studio kun je heel wat prachtige FSL motieven aanschaffen: vaak zit er een aparte beschrijving/info bij om aan te geven hoe je alles maakt, maar ook hoe het uiteindelijk in elkaar gezet moet worden. Kijk maar eens naar de afbeelding hierboven: Easter Eggs…

Jump stitch = sprongsteek: de steek die gemaakt wordt doordat de naald van het ene deel van een borduurmotief naar het andere deel ‘springt’/zich verplaatst. Deze steek heeft niets met het borduurmotief te maken, maar is nodig om binnen dezelfde kleur alle objecten te kunnen borduren, als deze uit elkaar liggen. Meestal wordt zo’n steek verwijderd na het borduren, tenzij er bij het maken van de tussenliggende objecten/kleuren overheen gestikt wordt. Als de draad daardoor zichtbaar zou blijven, is het verstandig om – voor de volgende kleur gebruikt wordt – deze lange draden af te knippen.

Op de afbeelding hierboven zie je de zwarte Jump Stitches door de oranje steken heen komen: dat is niet mooi: deze zwarte steken zouden dus – voordat het oranje gedeelte geborduurd gaat worden – eerst afgeknipt moeten worden.


Vaak staat ‘Auto Jump’ bij de software geselecteerd. Dat betekent dat de software zelf de lengte van de steek bepaalt, zodra deze boven de maximale gekozen lengte uitkomt. Die maximale lengte kun je instellen: klik met de rechter muisknop op een object, het menu ‘Object eigenschappen’ komt tevoorschijn. Linksonder klik je op ‘Effecten’, waarbij een ander menu geopend wordt. Klik daar op het tabblad ‘Anders’, en klik het vakje bij ‘Automatische sprongsteek’ aan. Je kunt nu de maximale steek in mm. aanpassen, maar ook de lengte in mm.

Machine embroidery thread = borduurgaren voor de machine, als bovendraad. De meeste kant-en-klare borduurmotieven zijn gemaakt voor garen met een dikte (Weight/Wt) 40, zoals Sulky 100% Rayon 40, of andere merken van polyester van dezelfde dikte.


Nap
= pool van een stof. Het gaat hier om de lussen (badstof) of doorgesneden lussen (velours/fluweel). Men spreekt van deze stoffen over polig, hoogpolig of harig (bont, kunstbont). Afhankelijk van het gewenste resultaat is het belangrijk om te kijken of je met de richting van de pool mee borduurt (poolrichting/lussen naar beneden) of tegen de richting in (poolrichting/lussen naar boven). Bij sommige stoffen met een (hogere) pool staan de lussen/draden rechtop, bij anderen is een pool zo lang, dat deze ligt (bont, kunstbont) – bij de laatst genoemde soort wordt er vaak voor gekozen om het deel waarop geborduurd gaat worden weg te knippen tot aan de ondergrond stof/huid, voor een beter borduurresultaat.


Pucker
= plooitjes/verstoringen rondom het geborduurde motief. Vaak een kwestie van te strak inspannen of verkeerde stabilizers. Helaas is een grote verstoring qua plooitjes niet weg te strijken. Als het een kwestie is van te strak inspannen, kun je je voorstellen dat – zodra je de materialen uit de ring haalt, alles weer terug qua spanning springt, en dus de stof doet plooien. Ook als je een te dunnen stabilizer/versteviging achter je werk hebt gebruikt, die niet voldoende steun aan je borduurwerk biedt, kan de stof rondom het werk gaan plooien. Hoe veel je het werk ook opspant, wast of alleen vochtig maakt en strijkt, je krijgt het niet altijd plat. Kijk dus vantevoren altijd hoe dicht een motief is (hoeveel steken op 10 cm) en op welk materiaal je gaat werken (bij groot aantal steken op niet te dun materiaal).

Template appliqué = een papieren mal, geprint vanaf het afdrukvoorbeeld, te gebruiken bij het maken van een applicatie, waarbij zo’n mal de ware grootte van een stukje stof aangeeft, mits bij het printen de optie ‘ware grootte/100%’ is aangevinkt. Zo’n mal wordt uitgeknipt, op het betreffende materiaal (stof, vilt) gelegd en op het aangegeven moment op het ingespannen/zwevende borduurwerk gelegd, waarna het via de Tackdown lijn vastgezet wordt, en de randen uiteindelijk met een satijn Coverstitch bedekt worden.

Tie-ins / Tie-offs = extra steken die toegevoegd worden voor en na sprongsteken en nieuwe kleuren, zodat de draden afgeknipt worden zonder dat de gemaakte steken van het borduurwerk loslaten. Deze steken worden automatisch gemaakt bij de start van objecten zodra een tussensteek langer dan 2 mm is, of na een kleurwisseling. Bij het maken van Satijnsteken worden deze Tie-ins en Tie-offs binnenin de vorm gemaakt, op de tweede steek.

Topper = dun materiaal dat bovenop het ingespannen/zwevende materiaal gelegd wordt voordat er geborduurd wordt. Meestal gaat het om wateroplosbaar (wash-away) materiaal, gebruikt om te voorkomen dat de gemaakte steken bij (hoog)polige stoffen in de lussen/losgesneden lussen verdwijnt. Dit is belangrijk bij oa. badstof (lussen), velours en fluweel (losgesneden lussen). Zo werk ik veel met Madeira Wash Away Film, Fix, Plus en Ultra = verschillende samenstellingen/diktes, elk met bepaalde eigenschappen.

Underlay = versteviging, letterlijk onderliggende laag. Het gaat hier om de EERSTE serie steken die ervoor zorgen dat de stof/het materiaal waarop geborduurd wordt dát materiaal verstevigen voordat het daadwerkelijke object/borduurmotief gemaakt wordt. (Het gaat hier dus NIET om een verstevigingsmateriaal!).


Je kunt het type versteviging zelf aanpassen via ‘Object eigenschappen’, dan ‘Effecten’ aanklikken en daar op het tabblad ‘Verstevigingslaag’ te klikken. De eerste verstevigingslaag staat standaard aangevinkt: die kun je ‘uitvinken’ door het vinkje weg te halen – er is dan géén verstevigingslaag aanwezig (alleen in bijzondere gevallen wordt hiervoor gekozen). Je kunt ook een tweede laag aanvinken. Bij beiden kun je het type verstevigingslaag kiezen = rond de rand, stiksteek of zigzagsteek, de steeklengte, de steekspatiëring en ruimte vanaf de rand.

Underlay/versteviging is dus iets heel anders dan verstevigingen die je onder/op te borduren stoffen/materialen legt! Dan praat je over Stabilizers. Wil je hier meer van weten? Via mijn Blogbericht/les 56 van 11 maart jl. kun je daar uitgebreide informatie over vinden.

Volgende keer weer andere onderwerp(en), kijk je dan weer mee?

Borduurgroeten,
Sylvia Kaptein
www.sylviasartquilts.nl

 

Gerelateerde inhoud die interessant voor je is

Commentaren op dit bericht

0 Responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Beste bezoek(st)er van de BERNINA blog,

Om afbeeldingen bij de commentaarfunctie te publiceren, moet je je op de blog aanmelden. Hier kun je je aanmelden.

Ben je nog niet op de BERNINA blog geregistreerd? Hier kun je je registreren.

Hartelijk dank,

Jouw BERNINA blogteam